Olijf.gif (4574 Byte)






Naar hoofdpagina:   Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Avot de-Rabbi Nathan (13a-13b)

(Spreuken der)Vaderen van Rabbi Nathan

Midrasj, tekst en commentaar

Dr. Marcus van Loopik
Medewerker Stichting Pardes te Amsterdam, © 2012
Niets van deze website mag op enigerlei wijze worden vermenigvuldigd of openbaar worden gemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van bovengenoemde auteur


Waarom mensen verschillend geschapen zijn


 
Vervolg sjioer 35

Tekst Avot de-Rabbi Nathan p. 13a

     
      Olijfb.gif (5153 Byte)
 

 

 

    Sterc.gif (1440 Byte)

In drie dingen deed de Heilige, Hij zij gezegend, mensen verschillen, de een van de ander. En dit zijn ze. In stem, in smaak en in uiterlijk.
Hoezo in stem? Dit leert dat de Heilige, Hij zij gezegend, mensen van stem deed verschillen, de een van de ander; want indien de Heilige, Hij zij gezegend, de mensen niet verschillend van stem had doen zijn, de een van de ander, dan zou er veel onkuisheid in de wereld zijn geweest. Wanneer een mens dan zijn huis verlaat, kan een ander binnenkomen en zijn vrouw verkrachten in zijn eigen huis. Daarom deed de Heilige, Hij zij gezegend, de stemmen van mensen verschillen, de een van de ander. De stem van de een lijkt niet op de stem van de ander.

Hoezo (deed Hij de mensen verschillen) in smaak[1]? Dit leert dat de Heilige, Hij zij gezegend, de mensen van smaak deed verschillen, de een van de ander; want indien de Heilige, Hij zij gezegend, mensen niet verschillend van smaak had doen zijn, de een van de ander, dan zouden zij elkaar benijden. Daarom deed de Heilige, Hij zij gezegend, de mensen van smaak verschillen, de een van de ander. De smaak van de een lijkt niet op de smaak van de ander.

Hoezo (deed Hij de mensen verschillen) in uiterlijk. Dit leert dat de Heilige, Hij zij gezegend, mensen van uiterlijk deed verschillen, de een van de ander; want indien de Heilige, Hij zij gezegend, mensen niet van uiterlijk had doen verschillen, de een van de ander, dan zouden de dochters van IsraŽl hun echtgenoten niet herkennen en zouden de mannen hun vrouwen niet herkennen.  Daarom deed de Heilige, Hij zij gezegend, mensen in uiterlijk van elkaar verschillen, de een van de ander.

 

 

 

  

 

 

 

[1] Ne'ima - lieflijkheid, genieting d.w.z. in wat iemand aangenaam en van waarde acht.


Uitleg:

Leven met verschil

De relatie met het voorafgaande in de midrsaj is slechts formeel. De mannen van de Grote synagoge deden drie uitspraken. De wereld is gebouwd op drie zuilen: Tora, avoda (dienst) en gemiloet chasadiem (liefderijke werken). Om mnemotechnische redenen noemt de midrasj hier nog een reeks van drie. Inhoudelijk is een verbinding met het voorafgaande niet voor de hand liggend. Misschien is de verbindende gedachte dat de wereld niet alleen op drie zuilen is gebouwd, maar door de Schepper ook anderszins op doordachte wijze is geordend.
De inhoud spreekt voor zichzelf. Een aantal verschillen tussen mensen dienen we niet alleen als gegeven feit te erkennen, maar die verschillen zijn ook goed! Wanneer een vrouw de stem van haar eigen man niet  herkent, gebeuren er ongelukken; evenzo wanneer iedereen dezelfde smaak bezit. Dan zouden (bijvoorbeeld) vele mannen verliefd worden op dezelfde vrouw. 'Leven met verschil'  is een door God gewenste opdracht!

Parallelteksten vermelden een alternatief drietal. Mensen verschillen volgens Rabbi Me’ir in drie dingen van elkaar, in stem, in uiterlijk en in kennis. Het verschil in stem en uiterlijk voorkomt onkuisheid, zoals ook hier in Avot de-Rabbi Nathan wordt verklaard. De kennis en gedachten van mensen komen om een andere reden niet overeen.Wanneer rovers en dieven de gedachten van anderen zouden delen,  dan wisten ze altijd waar kostbaarheden verstopt zijn. In zo'n situatie zou alles van waarde in handen vallen van misdadigers.[2]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[2] Zie Babylonische Talmoed Sanhedrin 38a; vgl. ook Talmoed Jeroesjalmi Sanhedrin 22a.

     

     Boekklkl.gif (8026 Byte)

 

Lessen in onbaatzuchtigheid


Sjioer 36    

   

    Boekklkl.gif (8026 Byte)
*  Rabbi Chanina ben Dosa (eerste eeuw van de jaartelling) behoorde tot de zogeheten ansjť ha-ma'asŤ - 'mannen van de daad', vrome mannen van weleer die wonderen konden verrichten.  Hij was leerling en collega van Rabbi Jochanan ben Zakkai, maar bezat ook een eigen school met leerlingen [vgl. Talmoed Jeroesjalmi, Berachot 5 (9a)]. Van hem zijn vele wonderverhalen bekend waaruit zijn uitzonderlijke vroomheid blijkt. Toch wordt hij soms onderscheiden van de chasidiem (Tosefta Sota 15,5).

[3] Die andere en komende wereld bestaat volgens deze kritische leerlingen dus niet. Antigonos had volgens hen deze uitspraak nooit zo kunnen doen, wanneer hij weet had gehad van een Komende Wereld. Dan zou hij immers zeker een beloning voor die Komende Wereld in het vooruitzicht hebben gesteld. De uitspraak van Antigonos ontkent het bestaan van een Komende Wereld echter niet. De twee leerlingen hebben Antigonos misverstaan!

[5] Flavius Josephus beschrijft in zijn Antiquitates (Boek 18,1,3-4) dat de FarrizeeŽn geen aangenaamheden in dit leven kenden en geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel. In de gedachtewereld van de SadduzeeŽn gaat de ziel echter tezamen met het lichaam te gronde. SadduzeeŽn kenden weinig aanhangers, en behoorden tot de hoogste standen. Zo geliefd de FarrizeeŽn bij het gewone volk waren, zo weinig had het volk op met de aristocratische  SadduzeeŽn.


ĽEen keer sprak de echtgenote van Rabbi Chanina ben Dosa* tot haar man: ‘Bid (de hemel om ontferming), opdat iets van het goede dat opgeslagen wordt voor de rechtvaardigen in de Komende Wereld hier (al in deze wereld) aan jou wordt geschonken.’ Hij bad en (vanuit de hemel) liet men een gouden tafelpoot voor hem neerdalen. Hij zag in een droom dat alle (andere) mensen daar (in de Komende Wereld) zouden eten aan een tafel met drie poten, maar hij (alleen) aan ťťn met twee poten. Zijn vrouw sprak toen tot hem: 'Bid dat men hem (die gouden tafelpoot) weer wegneemt.’ Hij bad en de poot werd weer teruggenomen. Er wordt verteld dat het laatste wonder nog groter was dan het eerste, want men verklaart dat de hemel wel geeft, maar (wat eenmaal is geschonken) nooit terugneemt. ę[1]

Hoofdstuk V

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 13a

Antigonos van Socho** ontving (de traditie) van Sjim'on ha-Tzaddiek (Simeon de Rechtvaardige). Hij placht te zeggen: 'Weest niet als knechten die de meester dienen teneinde beloning te ontvangen, maar weest als knechten die de meester dienen zonder daarvoor beloning te ontvangen; [en laat vrees voor de hemel over jullie zijn, opdat jullie loon dubbel zal zijn in de Komende Wereld].[2]

Antigonos van Socho bezat twee leerlingen, die zijn woorden herhaalden en die deze weer herhaalden (onderrichtten) aan hun leerlingen en deze leerlingen weer aan hun leerlingen. Zij stonden op en plozen de woorden uit, zeggend: 'Wat zagen onze vaderen erin om dit te zeggen? Is het dan mogelijk dat een arbeider zich de gehele dag afpijnigt en 's avonds zijn loon niet ontvangt? Maar wanneer onze vaderen geweten hadden dat er een andere wereld is en opstanding van de doden, dan zouden zij zo niet gesproken hebben.'[3] Zij stonden op en distantieerden zich van de Tora.[4] Zij spleten in twee sekten uiteen, de SadduzeeŽn (Tzaddokiem) en de BoŽthusiŽrs. De SadduzeeŽn genoemd naar Tzadok en de BoŽthusiŽr genoemd naar BoŽthus.[5]
Al hun dagen maakten zij gebruik van zilveren en gouden gerei. Niet dat zij arrogant in hun geest waren, maar de SadduzeeŽn zeggen: 'Het is een overlevering bij de FarrizeeŽn dat zij zichzelf in deze wereld kwellen[6], maar in de Komende Wereld zullen zij helemaal niets bezitten.[7]

Uitleg:
De uitspraak van Antigonos van Socho is aanleiding geweest tot  veel commentaar, aangezien nogal wat uitspraken in Tenach - die een concrete beloning in het vooruitzicht stellen - zijn opmerking lijken te weerspreken. Enige helderheid verschaft ons de toelichting van Maimonides in diens opmerkingen bij Misjna Avot (1:3). Ook hij herkende de problemen rond de uitspraak van Antigonos van Socho en  zocht naar een linguÔstische oplossing:

 

[1] Babylonische Talmoed, Ta'aniet 25a.

[2] Vele verklaarders hebben hun twijfel geuit of de tussen haken geplaatste woorden nog tot de oorspronkelijke uitspraak van Antigonos van Socho behoren. Zie echter L. Finkelstein, Mavo le-Massechtot Avot de-Rabbi Nathan, New York 1950, p. xii-xiii. Naar zijn mening is de eerste sectie van Pirkť Avot sterk beÔnvloed door de school van Sjammai; in die school werd respect en huiver voor God ( jir'a) als een nog hogere deugd beschouwd dan de liefde. De opmerking over vreze behoort volgens Finkelstein dus juist wel tot de sfeer van de oorspronkelijke tekst.

** Antigonos (Antigonus) van Socho, vroeg tweede eeuw voor de jaartelling. Alleen al zijn naam duidt op de Hellenistische invloeden die in zijn tijd heersten.

[4] Dat wil zeggen: van de traditie van hun leermeester Antigonos van Socho.

[6] Door een uiterst sobere leefwijze.

[7] Volgens de SadduzeeŽn is van een Komende wereld geen sprake. De FarrizeeŽn zullen naar hun mening dus in hun ijdele hoop op een hiernamaals bedrogen uitkomen. Hun wacht immersl geen toekomstige compensatie voor de armoede die zij in de huidige wereld ondergaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[9 ] D.w.z. een belangrijke stimulans om zich te onthouden van overtredingen.

* (Simeon ben) BoŽthus was (in werkelijkheid) een hogepriester, die door koning Herodus de Grote in het jaar 24 voor de jaartelling werd aangesteld om zijn politieke aspiraties te steunen. De opvolgers van deze BoŽthus vormden de politiek-religieuze stroming van de BoŽthusiŽrs. Zie Flavius Josephus, Antiquitates 15,320). Hun ideeŽn waren zeer verwant aan die van de SadduzeeŽn.



Bonus en loon


Ľ'Peras' (beloning) wordt een vergoeding genoemd die een mens vergoedt aan iemand tegenover wie hij daartoe niet rechtens verplicht is, maar hij doet het uit liefdevolle erkentelijkheid en bij wijze van bonus. Zoals wanneer iemand tot zijn dienaar, kind of echtgenote zou zeggen: 'Doe dit (voor me) en ik zal je een of twee dinar geven.' Dat nu is het verschil tussen beloning (peras) en loon (sachar), want loon is men rechtens verplicht te geven. 

Deze chasied zegt, dat jullie de Eeuwige niet moeten dienen op voorwaarde dat Hij jullie goed doet en liefderijk vergeldt, zodat jullie hopen op vergoeding en Hem daarom dienen; maar dient Hem als knechten die niet hopen op liefderijke vergelding en een bonus. Hij schept er behagen in dat jullie uit liefde dienen, zoals we hebben uitgelegd in het tiende hoofdstuk van Sanhedrin.

En ondanks dit (het dienen uit liefde) heeft Hij hen niet vrijgesteld van (de plicht om te dienen in) vreze. Wanneer jullie dienen uit liefde, zullen jullie de vreze niet volledig verwaarlozen. En moge de vreze voor de Hemel op jullie zijn. Want al in de Tora komt het gebod voor om te dienen in vreze. De Schrift zegt: 'De Eeuwige, jouw God, zul je vrezen[, Hem zul je dienen'] (Deut. 10:20). En de Wijzen zeggen: 'Dien uit liefde, dien uit vreze'. En zij zeggen: 'Wie lief heeft zal niets vergeten van wat hem opgedragen is om te doen. Wie vreest, zal niets doen van datgene waarbij hij gewaarschuwd is om het niet te doen. [En zij zeggen: 'Hij die liefheeft, zal het (positieve) gebod niet zuur laten worden[8], en hij die vreest zal niet voorbijgaan aan een waarschuwing.'] Want vreze is een grote toegangspoort tot de verboden[9], in het bijzonder mizwot die manen tot gehoorzaamheid. En deze Wijze bezat twee leerlingen, de naam van de ene was Tzadok en de naam van de andere BoŽthus.* Toen zij deze onderwijzing hoorden, gingen zij bij hem weg. Een van beiden sprak tot de ander: 'De meester heeft duidelijk uitgelegd dat er geen beloning is, noch straf, en dat er helemaal geen hoop bestaat. Want niet begrepen zij wat hij, vrede zij over hem, (in werkelijkheid) bedoelde.Ľ

 

 

 

 

 

 

MMaimonides.jpg (15775 Byte)

 

 

[8] Dat wil zeggen, niet uitstellen en ongedaan laten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[12] Zie Abravanel in zijn commentaar Nachalat Avot, op Misjna Avot 1,3.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[14] Vgl. Maharal, Goer Arjť, (supercommentaar) op Rasji a.l. Ja'akov stelde zijn gehoorzaamheid aan God  zeker niet afhankelijk van de vervulling van Gods beloften in de zin dat hij God niet zou dienen zonder de vervulling daarvan.

 

Schijnbare tegenstellingen
De woorden van Antigonos mogen we volgens de midrasj niet  misverstaan, zoals Tzadok en BoŽthus deden. Voor ogenschijnlijke tegenstellingen met teksten in Tenach probeert Maimonides met zijn toelichting een oplossing aan te dragen.[10] Hij maakt onderscheid tussen sachar (loon) en peras (bonus). De Tora stelt herhaaldelijk een beloning en de inlossing van Gods verbondsbeloften in het vooruitzicht, opdat dit vooruitzicht IsraŽl stimuleert tot gehoorzaamheid aan Gods verordeningen. Dit lijkt in strijd met wat Antigonos van Socho in Avot de-Rabbi Nathan zegt. De uitleg van Maimonides verheldert dat Antigonos niet spreekt over verbondsbeloften waartoe God zich in het verleden contractueel verplicht heeft tegenover IsraŽl, maar over vrijwillige beloningen door de Hemel. We zouden de woorden van Maimonides als volgt verder kunnen interpreteren. Antigonos verwijst niet naar de gebruikelijke verplichtingen die we als dienaren, kinderen of verbondspartner van God sowieso verplicht zijn om na te komen, maar hij spreekt over een extra inzet uit liefde, buiten de grenzen van wat de wet gewoonlijk eist. Alleen wie God lief heeft doet op belangeloze wijze veel meer dan de letter van de wet strikt van hem of  haar verlangt. Niet met het oog gericht op een speciale, extra beloning en waardering, maar puur uit respect en liefde voor de Allerhoogste. Uiteraard mag IsraŽl erop rekenen dat ook God zijn deel in de verplichtingen van het verbond zal nakomen, maar het ware motief van gehoorzaamheid dient toch onbaatzuchtige liefde te blijven. 

J. Reisman vat zijn uitleg bij de uitspraak van Antigonos als volgt samen: ĽAntigonos kwam niet om het ontvangen van loon te verketteren, dat iemand toekomt voor het doen van geboden als zodanig, want als arbeider komt hem loon toe. Antigonos was erop uit om het uitzien naar 'peras' (een bonus) te verwerpen, naar een speciaal blijk van waardering en hoogachting vanwege het vervullen van een gebod; dat zou wat al te veel zijn. Een mens doet wat hem is opgelegd door het vervullen van de geboden van de Schepper, en hem komt daarvoor niet een speciaal blijk van hoogachting toe of een speciale 'peras' (bonus). Loon - ja, een bonus - nee.ę[11]

De commetator Abravanel[12] bestrijdt in zijn commentaar bij Pirkť Avot (1:3) het linguÔstische onderscheidt dat Maimonides hier maakt tussen peras en sachar, als een vrijwillige bonus in tegen stelling tot een rechtens toegezegd loon. Abravanel onderbouwt zijn kritiek met enkele concrete voorbeelden. Hij kiest een andere oplossing voor de tegenstelling tussen de uitspraak van Antigonos en overleveringen in Tora en traditie. 'Peras' verwijst naar zijn mening altijd naar een materiŽle vorm van beloning. Sachar is een veel breder begrip dat met name ook geestelijk profijt insluit. De ware beloning, zo leren de Wijzen, voor een mitzwa, is de bevrediging die het vervullen van het gebod als zodanig oplevert. Het ene gebod brengt het andere gebod voort en verhoogt zo onze levenskwaliteit. Iets daarvan proeven we ook in de geroemde overlevering uit het begin van Misjna Pea: 'Dit zijn de dingen waarvan de mens de vruchten al in deze wereld eet, maar waarvan de kern van de beloning bewaard blijft voor de Komende Wereld.' Hierop volgt een korte opsomming van sociale en liefdevolle daden, zoals het eren van vader en moeder, ziekenbezoek het geven van aalmoezen en dergelijke.

Goed doen betaalt zich al uit in het doen zelf, in de voldoening iets voor anderen te betekenen. Deze ervaring verhoogt - als gezegd - de kwaliteit van het bestaan en draagt bij aan vruchtbare onderlinge verhoudingen binnen de gemeenschap. Men mag God dus niet dienen op voorwaarde onmiddellijk daarvoor een persoonlijke en materiŽle beloning te ontvangen. Daden met altruÔstische bedoelingen leveren echter een ander soort loon op. Sachar - mogen we interpreteren als een vorm van profijt van goed handelen, dat niet alleen materieel van aard is en ook anderen ten goede komt. Het is een profijt dat het pure eigenbelang overstijgt! Op die manier blijkt de uitspraak van Antigonos verenigbaar met teksten die hem op het eerste gezicht lijken te weerspreken.

Antigonos verzette zich dus volgens deze visie tegen de verwachting van een onmiddellijke en puur materiŽle beloning. Zo belooft de Tora bijvoorbeeld in Ex. 20:12 een lang leven als dank voor de vervulling van het gebod dat gebiedt om onze vader en moeder te eren (Ex. 20:12). Een lang leven kan volgens de uitleg van de Wijzen hier ook verwijzen naar een aandeel aan de Komende Wereld! Rasji legt dan ook uit dat Antigonos slechts de verwachting van een direct en persoonlijk loon in deze wereld verwerpt. Een onmiddellijke verzilvering van goede daden door de hemel mag beslist niet het kerndoel van ons handelen uitmaken. Met hoop op een toekomstig aandeel in de Komende Wereld is evenwel niets mis! De vermaning van Antigonos richt zich - zo te zeggen - tegen het streven naar gewin op korte termijn. Ľ'Die Ik jullie heden gebied' ( Deut. 4:40) - om vandaag te doen, niet om vandaag al loon daarvoor te ontvangen.ę [13]

De condities die Ja'akov stelde?
Aartsvader Ja'akov stelde voorwaarden aan God: 'Ja'akov legde een gelofte af en sprak: Indien God met mij zal zijn en mij zal beschermen op deze weg, waar ik op ga, en mij brood zal geven om te eten en kleren om mij mee te kleden en ik in vrede in het huis van mijn vader zal terugkeren, dan zal de Eeuwige mij tot een God zijn' (Gen. 28:20-21). Hoe valt de houding van Ja'akov te rijmen met de onbaatzuchtige levenshouding die Antigonos van Socho aanprijst? Sommigen wijzen er fintjes op dat Ja'akov hier geen echte conditie aan God stelde en daarvan zijn loyaliteit afhankelijk maakte. Uit het 'indien' van 'indien God met mij zal zijn' blijkt volgens Nachmanides (in zijn bijbelcommentaar bij deze passage) slechts onzekerheid van Ja'akov of hij misschien niet door zonden de goede vooruitzichten van zijn nageslacht zal verspelen. David Kimchi stelde, dat Ja'akov aan God zeker geen materieel welzijn vroeg, maar dat hij slechts hoopte op voldoende middelen om in leven te kunnen blijven. Immers alleen dan zou hij God en de gemeenschap kunnen dienen. Dat laatste - God dienen - was zijn enige werkelijke streven.[14] In een tekst als Leviticus 26:3-4 belooft de Eeuwige regen te laten vallen op het land, indien de gemeenschap Gods geboden en verordeningen in acht neemt. Deze conditie heeft echter niets van doen met de persoonlijke bonus uit de uitspraak van Antigonos. Een rechtvaardige mag hopen op een beloning omwille van anderen.

Onbaatzuchtige baatzuchtigheid
Heel pregnant komt het belang van anderen bij het doen van de geboden over het voetlicht in de spreuk van de Wijzen (uit de Babylonische Talmoed): 'Wie zegt: "Deze Sela voor een aalmoes is opdat mijn kinderen in leven zullen blijven of opdat ik deel mag hebben aan de Komende Wereld", zo iemand is nu een volkomen rechtvaardige.'[15]
Rasji voelde de problematiek in deze spreuk aan, maar onderschreef hem toch. Hij stelde dat de gever hier niet uitsluitend eigen belang beoogt, maar tegelijkertijd Gods gebod realiseert om anderen te steunen.
De tosafisten bij deze talmoedpassage bieden nog een extra inzicht. We mogen in dit geval volgens hen terecht van een volkomen rechtvaardige spreken, ook al beoogt de rechtvaardige een bepaald gunstig gevolg van zijn handelen. Hij zou immers ondanks zijn zelfzuchtige verwachtingen liefdadigheid blijven bedrijven, ook al moest hij keer op keer ervaren dat zijn goedheid onbeloond blijft. Zijn hoop op de persoonlijke gevolgen van generositeit tegenover de armen is dus van secundair belang. Ze vormen geen doorslaggevend motief voor zijn liefdadigheid en altruÔsme.
H. Reisman noemt nog een verrassend motief ter verdediging van de 'zelfzuchtige ' maar volkomen rechtvaardige. Zijn 'zelfzuchtigheid' is een bewust opgevoerde schijn om de ontvanger van liefdadigheid schaamte te besparen. De rechtvaardige en perfecte gever wil de arme de vernedering besparen, die ostensief en altruÔstisch medelijden ongewild kan teweegbrengen.[16] 






[10] Zie de wat uitgebreidere bespreking van deze tegenstellingen door H. Reisman, Ijjoeniem be-Pirkť Avot, Tel Aviv 1991, 71-77.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[11] Zie J. Reisman, Ijjoeniem be-Pirkť Avot, Tel Aviv 2001, p. 77.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[13] Zie het commentaar van Rasji op Misjna Avot 1,3.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[15] Babylonische Talmoed Pesachiem 8a.

 

 

 

 

 

 




[16] H. Reisman, a.w. p. 74.

Actualiteit
Steeds opnieuw blijkt de actualiteitswaarde van wat de midrasj ons in Avot de-Rabbi Nathan onderricht. In een tijd waarin alles gericht lijkt op economisch gewin en het streven naar maximale winst gepaard gaat met denken op korte termijn, is de uitspraak van Antigonos van Socho belangrijker dan ooit. Een onbaatzuchtig dienen van God en gemeenschap is een groot goed, dat alleen maar weinig lijkt op te leveren voor hen die geen oog hebben voor andere waarden dan materieel gewin.

Op dit punt is Maimonides onze leermeester bij uitstek. Wie zich inzet voor anderen, werkt aan de verheffing en verdeling van zijn eigen persoonlijkheid.

 

 

   MMaimonides.jpg (15775 Byte)

 

 

[17] Rabbi Ja’akov Josef Polnoje, Toledot Ja’akov Josef, Noach, genoemd in Le-Jesjariem Tehilla, M.H. Kleinman, New York 1976, p. 31.

 

 

Maimonides gaf in zijn inleiding bij Spreuken der vaderen (de zogeheten 'Acht Hoofdstukken' - Sjemona Perakiem) aan wat naar zijn mening de ware functie is van sociale geboden en liefdadigheid:

ĽV, 13: Evenzo, al wat in de Tora staat over het geven van tienden, het (vergeten) raapsel, de vergeten schoof, de rand (van de akker), de nalezing van de (vruchten)oogst, de regelgeving rond het zevende jaar en het jubeljaar, het geven van aalmoezen in overeenstemming met iemands behoeften, dat alles brengt ons nader tot een overdaad aan goedhartigheid (waarmee we zolang moeten doorgaan) totdat we ons ver verwijderd hebben van de grens van gierigheid [laaghartigheid] en we naderen tot de grens van verkwisting [een teveel aan goedhartigheid], zodat tenslotte vrijgevigheid [goedhartigheid] sterk in ons wordt.ę

Het ware loon van alle geboden - ook rituele geboden -  is volgens Rambam dat het doen ervan de dader tot een gaver mens maakt. Anderen helpen en goed doen brengt het beste in de mens naar boven. De ware vergoeding van de geboden ligt dus in het doen ervan en is van geestelijke aard. Liefdadigheid komt ook de gever ten goede. Niet in materiŽle vorm van 'peras' maar als het geschenk van geestelijke verheffing en de veredeling van het karakter.

‘De persoon die geeft, moet beseffen dat hij in werkelijkheid ontvangt, niet geeft. Immers meer nog dan wat de huisheer (die tzedaka geeft) doet voor de arme, doet de arme voor de huisheer, hem de gelegenheid gevend om goed te doen en zijn eigen ziel op te heffen’ [17]

De aansporing tot onbaatzuchtigheid is een belangrijke en actuele les binnen een maatschappij waar profijt bijna uitsluitend wordt gedefinieerd in termen van materieel gewin. Zonder onbaatzuchtigheid kan de gemeenschap zich niet handhaven, economisch niet maar vooral moreel en mentaal niet.

©  2012, dr. Marcus van Loopik, Hilversum

Naar volgende pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 14)  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar vorige pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 11-12):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar het begin van de cursus (Avot de-Rabbi Nathan p. 1):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Gaarne reacties en feedback:  m.loopik50@upcmail.nl Basisknopkl.jpg (825 Byte)